woensdag 10 januari 2018

Alfred Birney - De tolk van Java

Recensie van Roosje
Uitgeverij De Geus


Waarin de herinneringen van een kamerolifantje,
de memoires van een oorlogstolk gehamerd
op een schrijfmachine, onderbroken met verhalen,
brieven en gemopper van de oudste zoon,
becommentarieerd door zijn broer’.

Vaders en zonen

Toen Arto na een lange bootreis in Nederland aankwam, was zijn eerste opwelling in het water te springen. Zijn tweede was direct terug te rennen over de loopbrug van het troepenschip de Groote Beer, dat hem in zes weken naar Nederland had gebracht.

Dit autobiografische verslag van Alfred Birney heeft de felheid en de heftigheid van een grote aanklacht: van de zoon tegen de vader, van de vader tegen de Indonesiërs, van de vader tegen Nederland, van de schrijver tegen Nederland.
Zoals bovenstaande ondertitel van het boek luidt. En dat is precies waar Birney’s boek over gaat. Beknopter had hij het niet kunnen verwoorden.

Eveneens onthult Birney ons een deel van onze koloniale geschiedenis waar we niet veel mee van doen willen hebben, een diepe schaamte, een uiterste schurend ongemak, waar we zoveel jaar na dato nog steeds niet mee overweg kunnen. En dat geldt niet alleen de ‘oorlogsmisdaden’ van de Nederlanders gepleegd in de Indische Archipel, maar ook en met name waar het gaat om de stuitende discriminatie van en het diepe onbegrip voor Indische Nederlanders. Deze grote trauma’s ballen samen in de hoofdfiguur van dit verhaal: Alan Noland, de zoon van Arend, Arto, Nolan(d).

Nederland is amper bekomen van de Duitse bezetting en wat er in Indonesië is voorgevallen is het probleem van ‘die kolonialen’. En die hebben geld zat. Laat ze oprotten, terug naar hun eiland, wij zitten hier met woningnood, verdomme, en die bruine mensen stinken al net zo als dat eten van ze, dat riekt naar knoflook en stront, die ze trassi noemen.’

Ten strijde trekken tegen elkaar

Het is ondoenlijk het verhaal na te vertellen. De mensen, die aan het ‘woord’ komen, een stem krijgen, zijn Alan, wiens naam pas laat in de loop van het verhaal valt, zijn vader Arto, zijn moeder, het kamerolifantje uit Helmond. Wat allen bindt is de aanklacht tegen hun leven, tegen hun vader, tegen hun partner, tegen hun kinderen. Jammer genoeg ervaren zoon, vader, broer en moeder niet wat hen bindt, liever trekken zij tegen elkaar ten strijde.

Zijn laatste troef lag in het Helmondse, een klein plaatsje dat hij met de boemeltrein bereikte op een zomerdag in het jaar 1950. Hij genoot van de stiptheid waarmee de trein het station binnenreed. Geen minuut eerder of later dan op Den Haag Hollands Spoor was aangegeven. Daar konden die luie Indonesiërs op Java nog wat van leren.
Helmond was klein. En het was nog stiller dan in Den Haag, dat op zijn beurt op een mortuarium leek vergeleken met Soerabaja. Er was niemand die op hem stond te wachten, hij was op de bonnefooi gegaan. Het enige wat hij wist was het adres van het kamerolifantje: Beelsstraat 1, waar haar vader een schoenmakerij had.

Spil van het verhaal

Het is vooral de ‘aanklacht’, met name tegen vader Arto, die de spil vormt van dit verhaal. Daar staat een enorme portie humor, veelal in de vorm van tragikomische humor, tegenover. Die twee maken het dat je als lezer door kunt gaan in en met het verhaal. Sommige aanklachten, hoe sympathiek en gerechtvaardigd ook, zijn bijna niet vol te houden vanwege al het bittere gif dat uit de pen van de auteur spuit; ik denk bijvoorbeeld aan Ta-Nehisi Coates, Tussen de wereld en mij, over de discriminatie van African Americans in het huidige Amerika.

Het verslag van Arto over zijn tijd in de oorlog en vooral als marinier, enorme vechtjas die regelmatig mataglap raakt, en tolk in dienst van het Nederlandse leger op Oost-Java, doet lezen als een Biggles-verhaal, een boek voor oudere jongens, met de daarbij behorende bravoure en oude-jongens-krentenbrood, waardoor alle martel- en moordpartijen net draaglijk zijn of misschien ook weer niet vanwege de schier eindeloze herhalingen en opsommingen in Arto’s typoscript, waardoor bijna een soort verveling optreedt. Overigens was Arto zelf tijdens de oorlog door de Japanners geducht gemarteld en gevangen gehouden. Op wonderbaarlijke wijze weet hij telkens aan zijn lot te ontsnappen.

Verschillende mensen vertellen hun verhaal vanuit hun standpunt; je bent als lezer niet helemaal zeker of zij hun verhalen wel naar waarheid vertellen en of zij zich überhaupt nog herinneren welke hun werkelijkheid geweest is; daardoor worden de intense aanklachten van vader Arto en zoon Alan enigszins genuanceerd.

Verwaarloosd kind

Arto schrijft avond aan avond aan zijn - gefingeerde? - biografie op de Remington-schrijfmachine in de slaapkamer van de ouderlijke woning, terwijl vrouw en kinderen denken dat hij studeert.
Veel liefde voor zijn moeder kan Alan ook niet opbrengen. Ergens ver weg begrijpt hij dat zijn vader getraumatiseerd is geraakt, hoewel hij dat geen reden vindt om vrouw en kinderen te terroriseren, maar van zijn moeder begrijpt hij niets. Haar haat hij misschien nog meer: ze is een kille vrouw die helemaal geen kinderen wilde, zeker geen vijf. Ze had meer belangstelling voor haar sigaretten en haar televisieprogramma’s. Ja, wat kun je daar als verwaarloosd kind tegenover stellen?

Arto, op zijn beurt, werd slecht behandeld als jongste kind; zijn Nederlandse vader erkende hem niet, zijn Chinese moeder en oudere broers sloegen hem. Hij had weinig gelegenheid naar school te gaan, maar sprak ongeveer twintig talen en hield van koningin Wilhelmina, wat hem uitermate geschikt maakte als tolk in Nederlandse dienst. Waarom hij van koningin Wilhelmina hield, wist hij zelf ook niet zo. In zijn beleving was de Nederlandse samenleving toleranter en meer open dan die op Oost-Java, waar hij altijd de underdog was. De tijd van zijn leven viel tijdens de politionele acties van Nederland tegen de Indonesische opstandelingen, die zeer verdeeld waren.

Toen op 17 augustus 1945 Soekarno de Republiek Indonesia had uitgeroepen, schreeuwde men meteen om wraak op de Belanda’s. In de avonturen werd feestgevierd en gemoord. Ik stond alleen in de familie. Geen enkele lid had trouw gezworen aan Nederland. Na de Japanse bezetting walgde ik ook nu in deze pas aangebroken Bersiapperiode van die slappe houding, terwijl Jacob en Karel (oudere broers van Arto, rdv) mij bespotten omdat ik die Nederlandse koningin nog nooit had gezien. Ik liet ze maar en verliet de volgende dag gewapend met mijn vechtdolk het huis.

Misschien dat Alan als oudste - hij heeft een jongere tweelingbroer Phil - de verantwoordelijkheid voor broers en zussen het meest urgent voelde; hij is in ieder geval van de kinderen degene die zijn vader het meeste haat. Broer Phil heeft meer begrip voor hun vader en zijn gedrag.

Dit is het soort boek dat je moet ondergaan, dat je moet ervaren door het zelf te lezen. Weinig mensen zullen onberoerd blijven door de belevenissen van Arto en van Allen.

Auteur

Alfred Alexander Birney (Den Haag, 20 augustus 1951) is een Nederlandse schrijver, essayist en columnist.
Alfred Birney is geboren uit een Indisch-Nederlandse (Indo) vader en een Nederlandse moeder. De Nederlandse voorouders van zijn vader waren uit het achttiende-eeuwse Schotland afkomstig, vandaar de Engelse achternaam. Alfred Birney groeide op in Den Haag tot zijn dertiende bij zijn ouders, daarna tot zijn achttiende in internaten in Voorschoten, Arnhem en Scheveningen. Hij leidde een bohemien bestaan tot zijn vijfentwintigste, zette zijn eerste verhalen op papier maar gooide ze weg. Hij werd gitaarleraar.

In 1991 kreeg hij voor zijn oeuvre (1987-1991) de literaire G.W.J. Paagman-prijs uitgereikt onder een commissie voorgezeten door Aad Nuis. Zijn bloemlezing Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998) veroorzaakte veel beroering en polemiek binnen kringen van de Indische literatuur. Twee van zijn belangrijkste romans, Vogels rond een vrouw (1991) en De onschuld van een vis (1995), werden respectievelijk in 2000 en 2002 in vertaling in Indonesië uitgebracht. Van 2002 tot 2005 was Alfred Birney verbonden als columnist bij de Haagsche Courant, een baan die hij moeilijk kon combineren met zijn literaire werk. Zijn niet-aflatende verdediging van de multiculturele samenleving werd hem niet altijd in dank afgenomen.

Alfred Birney is een representant van de Tweede Generatie Indische schrijvers, een groep waartoe onder meer Marion Bloem, Adriaan van Dis, Theodor Holman en Ernst Jansz gerekend worden. Vanwege de complexe en verouderende term ‘Indisch’ laten moderne literatuurwetenschappers deze groep schrijvers allengs onder de noemer ‘postkoloniale literatuur’ vallen. Sommige romans en verhalen vertonen inderdaad geen spoor van het koloniale verleden van zijn familie. Een constante factor is de herinnering, die altijd een hoofdmotief in zijn boeken vormt, vooral die aan de internaten waarin hij opgroeide. In zijn roman Het verloren lied (2000) lijkt de schrijver tot een synthese van zijn uiteenlopende motieven te komen.

Auteur: Alfred Birney
Categorie: Literaire roman
Pagina's: 544
ISBN: 9789044538502
Uitgever: de Geus
Verschijningsdatum: november 2016 

2 opmerkingen:

  1. Wat een prachtige recensie heb je hier neergeschreven Roosje. Na het lezen ervan voel ik mij verplicht om dit boek op zijn minst in huis te halen. Ik ben er wel benieuwd naar.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. 'Dank je voor het compliment, Katrien! Lees dit boek. Heftig in alle opzichten. '

    BeantwoordenVerwijderen

Laat gerust een reactie achter.
Dat wordt zeer op prijs gesteld en we willen graag weten wat je ervan vindt.